Curso de holandés

FORMACIÓN DE CALIDAD AL MEJOR PRECIO GARANTIZADO.

Holandés Nivel Básico

Euroinnova Formación
Descuento

420 € 180 
IVA exento
¿Quieres hablar gratis con un asesor sobre este curso?

Información importante

Descripción

Formación básica de la lengua holandesa que capacita al alumno para desenvolverse en situaciones cotidianas, obteniendo el Nivel Oficial del Consejo Europeo A1-A2

Información importante

Descuento: 5% de descuento en pagos online (Tarjeta de crédito). Contacte con nosotros para ofrecerle toda la información sobre nuestro sistema de Becas y Promociones Especiales. Matrícula gratis y sin gastos de envío.

Requisitos: Efectuar la matrícula

Centro acreditado u homologado: EUROINNOVA BUSINESS SCHOOL
Centro acreditado u homologado: Certificado de Profesionalidad

Instalaciones y fechas

Dónde se imparte y en qué fechas

Inicio Ubicación Horario
27 de octubre de 2014
10 de noviembre de 2014
24 de noviembre de 2014
08 de diciembre de 2014
22 de diciembre de 2014
A distancia
0
Consultar
A distancia
-

Opiniones

No hay opiniones de este curso todavía

¿Qué aprendes en este curso?

Holandés básico
Idioma Holandés
Holandés
Nivel básico
Nivel Oficial Consejo Europeo
A1
A2

Profesores

Área Profesorado  Especializado
Área Profesorado Especializado
Departamento de Tutorización y Atención al Alumno

Temario

módulo 1.

lecciones del curso.

  • Tema 1. Mi familia.
  • Tema 2. Describirse.
  • Tema 3. Contar y jugar.
  • Tema 4. Días y meses.
  • Tema 5. Cosas y animales.
  • Tema 6. Joven, viejo, caliente, frío.
  • Tema 7. En holanda.
  • Tema 8. Fiesta de bienvenida.
  • Tema 9. En amsterdam.
  • Tema 10. La ruta.
  • Tema 11. Desayuno
  • tema 12. Café o té.
  • Módulo 2. Contenidos teóricos.
  1. Het werkwoord 'zijn
  2. het werkwoord 'hebben'
  3. de directe vraagzin
  4. het bijvoeglijk naamwoord (gebruik en plaats)
  5. de verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
  6. de gebiedende wijs
  7. het onbepaald lidwoord
  8. zelfstandige naamwoorden
  9. het modale hulpwerkwoord 'kunnen'
  10. het bepaald lidwoord
  11. hoofd- en rangtelwoorden
  12. de ontkenning
  13. bezittelijke voornaamwoorden
  14. bijvoeglijk gebruik van bezittelijke voornaamwoorden
  15. vragende bijwoorden
  16. tijd en data
  17. de stellende trap bij een vergelijking
  18. de vergrotende trap bij een vergelijking
  19. meervoudsvorming
  20. de spellingherziening
  21. voorzetsels van plaats
  22. het werkwoord 'houden van'
  23. de constructie met 'van'
  24. verzelfstandiging van bijvoeglijke naamwoorden
  25. het gebruik van hoofdletters
  26. de onvoltooid tegenwoordige tijd
  27. de voltooid tegenwoordige tijd
  28. vragende voornaamwoorden
  29. bijvoeglijk gebruik van vragende voornaamwoorden
  30. wederkerige werkwoorden
  31. de persoonlijke voornaamwoorden
  32. de overtreffende trap bij een vergelijking
  33. leeftijd
  34. het gebruik van 'hen' en 'hun'
  35. wederkerende werkwoorden
  36. meervoudsvorming (onregelmatig)
  37. aanwijzende voornaamwoorden
  38. bijvoeglijk gebruik van aanwijzende voornaamwoorden
  39. het modale hulpwerkwoord 'zullen'
  40. de vorming van het voltooid deelwoord
  41. de voltooid verleden tijd
  42. het gebruik van naamvallen
  43. het modale hulpwerkwoord 'willen'
  44. het modale hulpwerkwoord 'mogen'
  45. het modale hulpwerkwoord 'moeten'
  46. nevenschikkende voegwoorden
  47. de onbepaalde wijs
  48. samengestelde bijvoeglijke naamwoorden
  49. zwakke werkwoorden
  50. sterke werkwoorden
  51. onregelmatige werkwoorden
  52. werkwoorden met een onscheidbaar partikel
  53. werkwoorden met een scheidbaar partikel
  54. het verbindingsstreepje
  55. woordvolgorde in een hoofdzin
  56. woordvolgorde in een bijzin
  57. het gebruik van 'zo'n' en 'zulk'
  58. het gebruik van de apostrof
  59. tussenwerpsels
  60. samentrekkingen
  61. werkwoorden met een vast voorzetsel
  62. betrekkelijke voornaamwoorden
  63. uitheemse woorden
  64. de aanvoegende wijs
  65. de lijdende zinsvorm
  66. de tussenletter n
  67. voorzetseluitdrukkingen
  68. de bijwoorden 'al', 'nog' en 'pas'
  69. het werkwoord 'laten'
  70. het gebruik van de komma
  71. het gebruik van 'er'
  72. voornaamwoordelijke bijwoorden
  73. het werkwoord 'worden'
  74. de onvoltooid verleden tijd
  75. de vervoeging van 'hebben' en 'zijn' (o. V. T. )
  76. het werkwoord 'doen'
  77. gebruik van het trema
  78. het beklemtonen van klinkers
  79. onderschikkende voegwoorden
  80. onpersoonlijke werkwoorden
  81. onbepaalde voornaamwoorden
  82. bijvoeglijk gebruik van onbepaalde voornaamwoorden
  83. achterzetsels
  84. de onvoltooid verleden toekomende tijd
  85. de voltooid verleden toekomende tijd
  86. het gebruik van 'te'
  87. onbepaalde hoofdtelwoorden
  88. geld
  89. verkleinwoorden
  90. het tegenwoordig deelwoord
  91. duratieve constructies
  92. de toekomende tijd met 'gaan'
  93. de tussenletter s
  94. verkleinwoorden (gebruik)
  95. de werkwoorden 'liggen', 'staan' en 'zitten'
  96. de buigings-s

módulo 3. Contenidos prácticos. Actividades para la práctica de los conocimientos. Tema 1. Diálogo. Tema 2. Pronunciación/fonética.

  1. Pronunciación de frases.
  2. Pronunciación de palabras.
  3. Ejercicio de fonética.

Tema 3. Vídeo y cuestionario. Tema 4. Ejercicios. Tema 5. Evaluación del aprendizaje. Tema 6. Explicaciones gramaticales. Tema 7. Herramienta de conjugación. Tema 8. Léxico. Tema 9. Fichas culturales.

Información adicional

Obtendrás el título oficial del consejo europeo: A1-A2. Permite adquirir las bases de vocabulario y de gramática y abordar el idioma en contexto con textos y diálogos. Se privilegia un enfoque comunicativo, cuyo objetivo es enseñar al alumno a comunicarse en otro idioma y a entender y producir "sentido". Los textos y los diálogos facilitan al alumno la inmersión en el idioma y sirven de soporte para el aprendizaje de las estructuras y del léxico de base, esenciales para poner en práctica el idioma.      

Compara este curso con otros similares
Ver más cursos similares